RK Parochie  Paus Johannes XXIII                 gemeenschap  St Barbara

 
HomeContactenTarievenHistorieAndere sitesOrganisatieOpen VensterVrijwilligersbeleid
 
Terugblik in het verleden
De vijftig jaar van de huidige Barbarakerk zijn een voorlopig sluitpunt van een veel langere geschiedenis. De oude Nederland-se Hervormde kerk in Bunnik wijst al in die richting.Daarin hadden de katholieken eeuwenlang gekerkt, tot met de Reformatie de zwerftocht begon langs boerenhoeven, kastelen van de edelen en schuilkerken.
In 1718 vonden zij weer een vast onderdak in het eerste kerkje aan de Schoudermantel. In 1845 werd dit vervangen door een nieuwe kerk op dezelfde plaats. Daar bleven zij samenkomen tot op 9 oktober 1940 de huidige Barbarakerk werd geconsacreerd. Naar die boeiende voorgeschiedenis gaat eerst onze aandacht. De gegevens hiervoor zijn ontleend aan de bijdrage van Dr Van Buijtenen en Prof. Dr Dekker in de parochiegids 1965 van de Barbarakerk en van F. Maarschalkerweerd in de Bunniker van oktober 1979.

Ontstaan

De naam Bunnichem wordt het eerst aangetroffen in een goederenlijst van de Utrechtse domkerk, opgesteld tussen 918 en 948. Deze lijst werd vermoedelijk samengesteld op instigatie van de bisschop van Utrecht om zijn kerk weer in het bezit te doen stellen van de goederen, welke door de invallen der Noormannen verlo-ren waren gegaan. Onder die goederen worden ook "Bunnik'en Vechten, in hun geheel" genoemd.Of er evenals te Werkhoven en waarschijnlijk te Odijk in de 9e eeuw ook te Bunnik al een kerkje heeft gestaan, wordt uit de lijst niet duidelijk.
Waarschijnlijk is, dat de parochiekerk, de huidige Nederlands Hervormde kerk, gebouwd rond de 12e-13e eeuw, een nog oudere kerk heeft vervangen. Deze kerk was een dochterkerk van de parochie Zeist. Nog in de 16e eeuw moet de dochterkerk Bunnik aan de moederkerk Zeist een jaarlijks bedrag van één gulden betalen.
Rond 1200 woonden er in Bunnik e.o. voldoende mensen om een eigen kerk te stichten. Deze verrees op de St. Antonisbrink, die begrensd werd door de huidige Langstraat, Dorpsstraat en de Kromme Rijn. Rond de kerk lag het kerkhof, waar tot de opening van een nieuwe begraafplaats buiten de kom aan de Provinciale weg in 1890 werd begraven.
De omvang van de parochie was ongeveer zo groot als thans, maar er woonden in de Middeleeuwen maar een paar honderd mensen binnen de parochiegrenzen. De laatste pastoor van de oude parochie vóór de Reformatie was Jan Gerardsz. van Gouda, pastoor van Bunnik sinds 1576.

Hervorming
Als in 1580 de uitoefening van de Rooms Katholieke Eredienst wordt verboden verandert er aanvankelijk weinig op het platte-land. De meeste pastoors gaan op de gewone voet verder. De invoering van het Protestantisme van hogerhand verloopt in het Kromme Rijngebied niet bepaald vlot. Dit is vooral te danken aan tegenwerking van de adel. Ook in Bunnik gaat Jan van Gouda voort met het celebreren van de H. Mis alsof er niets aan de hand is. In 1593, dus 13 jaar na de officiële afschaffing van het Katholicisme, oefent de Bunnikse pastoor nog volledig zijn ambt uit.
In 1596 doet de eerste predikant, ds Cornelis Jansz. van Cothen, zijn intrede in Bunnik en pas dan wordt de kerk ontdaan van altaren, beelden en ornamenten en voor de Hervormden ingericht. Maar de pastoor blijft ook dan actief. Hij gaat nu buiten de kerk Mis lezen in boerderijen als Ter Hul en op kastelen als Groenewoude en Amelisweerd.
In 1606 klaagt ds Gerard Cornelisz. de Vliegher uit Bunnik, dat er maar 25 à 30 mensen bij hem in de kerk komen, terwijl Bunnik en Vechten in die tijd circa 250 inwoners tellen. Het overgrote deel van de bevolking bleef het oude geloof trouw.
Na de dood van pastoor Van Gouda worden de verweesde katholieken onregelmatig door priesters van elders verzorgd. Zij lezen de Mis op de kastelen van de katholieke edelen inde buurt: Amelisweerd, Rhijnauwen, Rijsenburg. 
Tegen het midden van de 17e eeuw wordt een vaste statie Bunnik opgericht, die zich uitstrekt over Bunnik, Vechten, Amelisweerd, Rhijnauwen, Werkhoven, Zeist, Driebergen en zelfs een deel van het tegenwoordige Soesterberg.
Binnen de grenzen van deze statie wonen ongeveer 1450 men-sen, daaronder meegerekend de protestanten, die in aantal toenemen en in Zeist en waarschijnlijk ook in Driebergen al de meerderheid vormen.
De eerste pastoor van de statie is vermoedelijk Gilles de Ridder van Groenestein geweest, die in Bunnik omstreeks 1647 werkzaam was.
Intussen is nu ook binnen de muren van het kasteel Rhijnauwen de eerste vaste schuilkerk voor de statie Bunnik ingericht. Deze kerk wordt het eerst vermeld in 1643.
Herstel
I
In 1718, als de uitoefening van de katholieke eredienst al weer openlijker kan geschieden, wordt een zeer bescheiden schuil-kerk gebouwd in het achteraf gelegen gehucht Schoudermantel. Met de omverwerping van de Verenigde Provinciën in 1795 komt er een einde aan de bevoorrechte positie van de Hervormde kerk en krijgen de katholieken vrijheid van godsdienst.
Omdat de schuilkerk van 1718 allang niet meer voldeed probeert pastoor Baenens met een beroep op de staatsregeling van 1798 de Hervormde kerk terug te krijgen, maar deze poging mislukt. Men gaat het dan zoeken in opknappen van de oude kerk. Maar na alle lapwerk in de jaren 1819-1823 schrijft pastoor Jacobus Zoon in 1840 over de kerk: "Bunnik heeft een ellendig laag kerkgebouw, eerder lijkende naar een boerenachterhuis als naar een kerk; is zeer laag en bedompt    ".De kosten voor herstel vielen zo hoog uit, dat men in 1845 besloot een nieuwe kerk te bouwen.

De oude Barbarakerk

Er werd een noodkerk neergezet, de oude kerk geheel afgebroken en op dezelfde plaats een nieuwe gebouwd, een waterstaatskerk, naar een ontwerp van architect WJ. Vogel poel. Het werk werd uitgevoerd door P. Kusters, die voor f 12.700,- had ingeschreven.
Op 29 oktober 1845 werd de kerk ingewijd door C.L. Baron van Wijkerslooth, Heer van Schalkwijk, Bisschop van Curium i.p.i., in aanwezigheid van een 30-tal priesters.
Bij de volkstelling van 1849 telt de parochie, die Bunnik, Odijk, Vechten en Rhijnauwen omvat,

920 katholieken:

575 in Bunnik en Vechten

479 protestanten

322 in Bunnik en Vechten

 

313 in Odijk

 

110 in Odijk

 

32 in Rhijnauwen

 

47 in Rhijnauwen

In 1853 wordt de Bisschoppelijke Hiërarchie in Nederland her-steld. De statie Bunnik wordt dan bij mandement van Mgr. Johannes Zwijsen, aartsbisschop van Utrecht, tot parochie ver-heven onder de bescherming van de H. BarbaraIn 1864 werd achter de kerk een nieuwe pastorie gebouwd met een prachtige siergevel aan de kant van de Kromme Rijn. Voor de boeren, die met paard en wagen ter kerke gingen, was er een stalling naast de kerk en voor degenen, die vaak te voet van verre moesten komen, waren er "toiletten".De mannen zetten pet of hoed af en de vrouwen maakten een kruis bij het passeren van het kruis, dat tegen het lijken-huisje op het kerkhof vóór de kerk stond.Aan de Kromme Rijn woonde de koster, die de zorg droeg voor de kerk, kerkhof, terrein en tuin. In de winter voorzag hij ook de rijkere boerinnen van een stoof met gloeiende kool. Zij alleen zaten er warm bij in de onverwarmde kerk.

Uitbreiding

De in 1845 gebouwde kerk was eenvoudig en klein: 400 plaatsen. Op 4 mei 1885 gaf de Aartsbisschop machtiging tot uitbreiding met een nieuw priesterkoor. Het oude werd verwijderd en een nieuw gebouwd, naar een ontwerp van architect L.C. Heeze-mans. Het werk werd uitgevoerd voor f 7.199,- door W. Kok te Rijsenburg.Door deze uitbreiding kwamen er ongeveer 100 plaatsen bij: totaal nu 500. In 1909 werden door een verbouwing van de koortribune nog 40 extra plaatsen aangebracht.Zo sober als de kerk van buiten was, was zij het aanvankelijk ook van binnen.Pas vanaf de 80-er jaren krijgt zij een wat sierlijker interieur. Het nieuwe priesterkoor kreeg een stenen altaar met hardstenen trappen, een retabel en ijzeren tabernakel, ontworpen en uitge-voerd in de werkplaats van H. van der Geld te Den Bosch.Deze firma leverde in 1885 tevens twee zijaltaren, toegewijd aan Maria en Jozef.Op 1 december 1885 consacreerde Mgr. Schaepman het nieuwe altaar waarbij hij relikwieën insloot van de martelaren Laetus en Damianus. Het priesterkoor werd in 1891 verder opgesierd door de kunstschilder Jansen uit Zevenaar.In 1907 werd een eikenhouten preekstoel aangebracht. Een beeldhouwer uit Den Bosch beeld de op de kuip de vier Evange-listen uit en op het klankbord vier beroemde volkspredikers.In 1940 werd deze preekstoel verkocht voor f 300,- aan de kerk van S. Sebastianus te Herpen. De kerk had een orgel met 12 registers, gebouwd door Maar-schalkerweerd uit Utrecht. In 1940 is het overgeplaatst naar de kapel van het S. Antoniusziekenhuis in Utrecht.

Het einde van de oude Barbara

Boven de ingang prijkte de vrome tekst: "SOLI DEO GLORIA" (aan God alleen de eer), maar veel eer aan God legde de parochie Bunnik met de in de loop der jaren vervallen kerk niet meer in. "Een hopeloos geval", zei pastoor Hegge later nog eens tegen zijn opvolger.In het tweede kwartaal van de 20e eeuw ging het dorp Bunnik zich bovendien sterk uitbreiden. De kerk werd veel te klein.6 Februari 1938 vroeg pastoor Hegge aan de Aartsbisschop toestemming een nieuwe kerk te mogen bouwen. Op 22 februari verleende de bisschop de machtiging. Op 9 oktober 1940 werd de nieuwe kerk door hem geconsacreerd.

 

 Pastoors "Er wordt een gebed gezocht voor de navolgende Weleerwaarde Heren, gewezen pastoors dezer gemeente  "Zo begon het zielen boek, in de volksmond de dodenmars geheten, die op de eerste zondag van de maand in de vroegmis werd voorgelezen.Na deze oproep tot gebed volgden de namen van de pastoors: Johannes van Dijk, Johannes Gerardus Heeres en Mgr. Or J.A. H. G. Jansen. Van hen hingen de geschilderde portretten nog in de grote zaal van de oude pastorie. Die conterfeitsels hielden de gedachtenis aan hen levend. Vanaf 1940 zijn zij veroordeeld tot een bestoft bestaan in vergetelheid op de sacristiezolder.

 

Wij moeten nu aan de lijst van deze drie de namen toevoegen van de pastoors A.W. Heinen, RF Hegge en P.R. Geurts.Zonder de geschiedschrijving van de parochie te willen versmal-len tot een verhaal over haar leiders, wil ik toch eerst aan de laatste drie uit deze eminente rij priesters bijzondere aandacht schen-ken. Zij hebben de Sa-jarige geschiedenis van de kerk voor een belangrijk deel mee-gemáákt.
Pastoor-deken Albertus Wilhelmus Heinen (1910-1937) 
De oudere autochtone parochianen van Bunnik herinneren zich nog deze bijzonder fijne mens en priester. In de huidige sacristie hangt zijn geschilderd portret, vervaardigd bij zijn zilveren jubi-leum als pastoor van Bunnik. Hij was de laatste pastoor oude-stijl. Nog gekleed in kuitbroek, waarover de tot het witte boord ge-knoopte lange jas, een doffe afgeplatte hoge hoed op zijn prach-tige "kop" met golvend lang haar en schoenen met zilveren gespen. Hij straalde de goedheid van Onze Lieve Heer zelf uit. Een vaderlijke figuur, bij iedereen gezien en bemind.Op 22 juli 1910 deed hij zijn intrede. Hij schrijft daarover, dat ook zijn zuster Maria was meegekomen en de "dienstmaagd Elisa-beth Derksen", die "met den meest mogelijken spoed voor een geregelde huishouding zorg droegen, tot vreugde van den kape-laan, die op den dag van deR gepromoveerden en van aankomst van den nieuwbenoemden pastoor genoegen had willen nemen met een middagmaal, dat bestond uit een bord zoetemelkse pap ...".Hij beoefende bij uitstek de clericale deugd van gastvrijheid, in de stille, achter de kerk gelegen pastorie. Jonge moeders, die na een geboorte de "Kerkgang" deden, werden altijd uitgenodigd aan tafel voor een ontbijt, voor zij de lange en soms koude tocht naar Odijk of Vechten terug moesten maken.Na de Mis lagen in de fietsen kamer, tussen pastorie en sacristie, vaak appels uit zijn tuin voor de misdienaars, met Sinterklaas een taai-taai pop en suikergoed en na de drie Missen in de Kerstnacht gediend te hebben mochten ze volop balkenbrij eten aan zijn tafel voordat ze de drie Missen van de kapelaan gingen dienen. 

Voor zijn huisgenoten, de kapelaan, huishoudster Betje en twee-de meisje was hij een ware pater familias. Pastoors, die goed met kapelaans konden omgaan, genoten bij het Bisdom het twijfelachtige voorrecht ook de lastigste onder hun dak te krijgen. Pastoor Heinen werd daarin dan ook ruim bedeeld. Namen noemen we niet. Hij wist er zo mee om te gaan dat ze, na vertrek naar elders, graag en vaak bij hem terug kwamen.Om zijn bijzondere kwaliteiten werd hij op 18 juni 1915 door Mgr. H. v.d. Wetering benoemd tot deken van het dekenaat Montfoort, waaronder de parochie Bunnik toen viel. Hij bleef dit tot 15 april 1936. Tevens was hij door de bisschop benoemd tot Provisor pro temporalibus van de beide seminaries in het Aartsbisdom: verzor-ger van de tijdelijke zaken. Deze echte "geestelijke" was tegelijk een zakelijke man. Met vaste regelmaat vermelden de notulen van de vergaderingen van het Kerkbestuur uit zijn tijd: het knippen van coupons, aangaan en aflossen van leningen, koop en verkoop van aandelen en obligaties.

De Zusters 
In mei 1926 kocht het Kerkbestuur de villa S. Agatha (op de plaats van het huidige Bunnichem): om daar voorlopig in het klein te beginnen met een bewaar-, naai- en handwerkschool. Ook zou deze later dienst kunnen doen als "pastorij" wanneer er een nieuwe kerk zou komen en Odijk een eigen kerk zou krijgen. Een vooruitziende blik.
Aanvankelijk werd de villa nog verhuurd o.a. aan dokter Brevee, die een nieuwe woning aan het bouwen was. Het Kerkbestuur drong er intussen op aan zusters te vragen om zich in Bunnik te vestigen, vooral met het oog op de naaischool. Op 11 december 1929 werd een contract getekend met de zusters van S. Jozef in Amersfoort.Op 10 april 1930 arriveerden twee zusters om het huis in te richten. Op 15 april namen nog vier zusters haar intrek in de villa S. Agatha, die nu S. Jozef stichting ging heten. Na een eerste H. Mis in de kapel vond op 30 juni 1930 de plechtige opening plaats van de naaischool, waarvan zr Raphael de leiding kreeg en van de bewaarschool, die aan zr Feliciana werd toevertrouwd.

Zr Livina trad in dienst van het Wit Gele Kruis als wijkverpleegster. In vol religieus habijt, met grote kap, fietste zij levensgevaarlijk door weer en wind langs 's Heren wegen en boeren paden van Odijk tot Vechten om de zieken te verzorgen. Als eerste pensiongast werd in oktober 1931 de weduwe van Mourik opgenomen door de zusters tegen een wekelijkse vergoeding van ongeveer f 7,-.
S. Jozef breidt uit

Bij de opening waren de beide scholen al te klein. De zusters vroegen het Kerkbestuur om uitbreiding. Op 3 februari 1931 werd de bouw van een nieuwe naai- en bewaarschool aanbesteed en gegund aan A. Klokke, die inschreef voor f 22.576,-.
Op 8 oktober 1931 werd de nieuwbouw ingewijd door deken Heinen, na een 'plechtige Mis met drie heren" in de inmiddels ook uitgebreide kapel. Als diaken assisteerde kapelaan JA Middelkoop, als subdiaken oud-kapelaan Th. van Wee. De vrijkomende ruimten van de scholen werden ingericht voor pensiongasten. De bejaarden kregen zo'n goede verzorging dat je geluk had, als je bij de zusters kwam. Je kon er oud worden: 80-90 jaar was er geen zeldzaamheid, toen al. De zusters zelf namen met een minimum aan huisvesting genoegen.
 
Uit de notulen van het Kerkbestuur
Buiten de oprichting van de St. Jozefstichting vermelden de notulen weinig opvallende gebeurtenissen.
Ze beginnen vrij regelmatig met de vermelding: afwezig wegens ouderdom of "ongesteldheid" die of die kerkmeester. Eenmaal benoemd als kerkmeester bleef men het tot aan zijn dood. Niemand trad af of werd ontslagen wegens ouderdom of langdurige ziekte. Alleen grotere boeren werden aangezocht als lid van het Kerkbestuur, dat tevens Schoolbestuur was. Pas in 1934, op 18 juli wordt een niet-agrariër, de heer J. Bosma, oud-hoofd van de Barbaraschool lid. Hij zal het ook blijven tot zijn dood in oktober 1952. In zijn plaats werd benoemd de heer C. van Fulpen, die tot 1 januari 1968 zal aanblijven.De kerkmeester met de langste ambtsduur werd Hubertus Joannes van de Vecht: benoemd op 17 april 1930 bedankte hij bij de invoering van het nieuwe reglement voor het bestuur van een parochie op 1januari 1968. Om zijn grote verdiensten werd hij door de Bisschop tot erelid benoemd, Een unicum: ik ben het tenminste nooit ergens tegengekomen.
 Op de agenda van het Kerkbestuur keren steeds terug:- telling van de kerkcenten. De gemiddelde opbrengst schom-melt tussen de 25 en 50 guldens. En dat is dan nog vermoede-lijk de recette van twee zondagen.- de oude gebouwen vragen een doorlopende zorg. Men gaat zuinig met de weinige centen om en vraagt steeds aan meer-dere aannemers een prijsopgave, als er onderhoudswerk-zaamheden zijn
- aan het verpachten van grond, die eigendom is van de kerk en  van de plaatsen in de kerk wordt menige vergadering gewijd- ook aan de salarissen van de koster en anderen, in dienst van de kerk. In 1919 vraagt koster Jan de Valk verhoging van salaris. Het kerkbestuur meent daar niet op te moeten ingaan omdat de koster zijn winkel in het kostershuis heeft laten ophouden. Men besluit hem dit jaar f 50,- duurtetoeslag te geven.In oktober 1923 overlijdt koster de Valk. Zijn zoon neemt het voor f 350,- met vrije woning over voor een half jaar op proef. Later werd dit verhoogd tot f 375,-. Op 1 januari 1925 wordt hij opgevolgd door Jan van Mourik.- De weduwe Elisabeth de Valk-van Mourik krijgt een wekelijks . pensioen van f 2,50.- In augustus wordt het salaris van de organist en de dirigent van het koor "verhoogd" tot f 100,-

Einde van een tijdperk
Op 17 september 1937 ging pastoor Heinen met emeritaat. Het was het einde van een pastoraat, dat niet opviel door grote daden maar door wat hij was: "goede herder".
"Grati estote" (wee st dankbaar) was de tekst van zijn bewogen afscheidspreek. Hij was God en zijn parochianen dankbaar. Hoe dankbaar die hem waren konden ze niet zeggen: pastoors namen toen nog geen afscheid op een massale receptie.Hij ging wonen in de Schoudermantel, samen met Betje en Rex, zijn hond, die kapelaan Jaap van de Brink hem had achter gelaten bij zijn vertrek naar Arnhem.Iedere morgen ging hij daarna naar de kerk om de Mis te lezen. Bij mist en donker zwaaiend met zijn witte zakdoek om veilig over te komen, want zijn ogen waren slecht. Hij las daarom altijd de votiefmis ter ere van Maria, die hij uit zijn hoofd kende. Hij stierf 31 juli 1942 en werd begraven op het nieuwe kerkhof.

Pastoor- deken Or Regnerus Fredericus Hegge (1937-1964) 
Een goede pastoor ging. Een goede kwam: dr RF Hegge, professor in de moraal aan het groot-seminarie "Rijsenburg". Een grote Groninger, die er kennelijk zin in had. Op maandagavond 6 september 1937 kreeg hij zijn benoeming, op dinsdagmorgen was hij al aan de pastorie in Bunnik. Op 17 september werd hij geïnstalleerd als pastoor. Voor iedere oudere kapelaan en docent aan een seminarie was pastoor worden het ideaal. Seminariepro-fessoren werden vaak wat later benoemd maar kregen dan ook direct een grotere plaats. Hegge kreeg Bunnik, niet de geringste onder de parochies van het aartsbisdom.Ik mocht getuige zijn van de ontroerend hartelijke wijze, waarop deken Heinen zijn opvolger welkom heette. Van zijn kant heeft pastoor Hegge zijn voorganger tot diens dood al zijn respect en aandacht geschonken.Prof. Hegge gold onder de collega's en studenten van "Rijsen-burg" al als modern en zijn tijd vooruit. Hij hield van kunst, bezocht graag musea en expositie's. Als kapelaan aan de kathedraal had hij in de dirigent van het koor, Johan Winnubst, een vriend gevonden, die hem zijn liefde voor muziek bijbracht.Hij was gepromoveerd op het proefschrift "De mens en zijn woning", waarin hij het recht van ieder mens op een passende behuizing verdedigde. Hij zou spoedig de zorg krijgen voor een passende woning van God in Bunnik.
 Een nieuwe kerk 
Er moest een nieuwe kerk komen. 6 februari 1938 vroeg pastoor Hegge aan Mgr Or J. de Jong, aartsbisschop van Utrecht, de machtiging voor de bouw. 22 Februari werd die verleend.Tegenover Bunnik stond de oude kerk veel te excentrisch. De voorkeur van Hegge ging uit naar een plaats, dichter bij het dorp Bunnik. Voor de parochianen van Odijk stond de oude Barbara op de juiste plaats. Tegen elke prijs wilden zij de kerk, oud of nieuw, daar houden. Een adellijke gift gaf de doorslag. In een brief van 9 maart 1938 ontving Hegge via notaris Leuken te Amersfoort het bericht, dat de gravin douairiaire de Leusse, geboren d'Alsace d'Henin te Parijs, gratis een terrein ter grootte van maximum 1 ha van haar grond aan de Stationsweg wilde afstaan "voor de bouw van uw Barbarakerk".

Aan de schenking was de voorwaarde verbonden, dat binnen twee jaar na 1 maart 1938 met de bouw moest zijn begonnen. Deze schenking besliste het pleit ten gunste van de huidige plaats. Onmiddellijk ging men in Odijk tot actie over. In een brief van 30 maart nodigde de heer H.J. Hol, onderwijzer en wethouder van Odijk, de R.K. raadsleden van Odijk uit voor een bespreking om te komen tot een kerk aldaar. Op zondag 21 augustus deelde pastoor Hegge mee, dat hij zou beginnen met een bezoek aan de parochianen om een bijdrage tevragen voor de nieuwe kerk. Intussen reisde hij door Nederland om nieuw gebouwde kerken te bezichtigen en zo tot de keuze van een architect te komen.
Het werd de Maastrichtenaar Alphons Boos-ten, die al meerdere kerken, tot dan alleen in Limburg, had gebouwd.

Bouw van de kerk 

20 April 1939 vond de aanbesteding plaats. Vijf aannemers had-den ingeschreven. De bouw werd gegund aan de Gebr. Nijenhuis te Arnhem, die voor f 122.940,- hadden ingeschreven. Omda.t dit bedrag aanzienlijk boven de begroting ging werd het door het aanbrengen van een aantal bezuinigingen in de uitvoering met f 16.805,- terug gebracht tot f 106.135,-.Voordat op 13 mei 1939 met de bouw werd begonnen was er 's morgens door deken Heinen, daartoe uitgenodigd door Hegge, een H. Mis opgedragen ter ere van de H. Jozef, de patroon van de bouwvakkers. Daarna werd om elf uur op het bouwterrein de Litanie van de H. Jozef gebeden, waarna de eerste spade in de grond werd gestoken door pastoor Hegge.

 

Eerste steenlegging 
De eerste steen werd door hem gelegd op 26 juli 1939. Daarbij werd een loden koker, 40 cm. lang, vervaardigd door de plaatse-lijke smid Ot van Echtelt, ingemetseld in de zijmuur, achter in de kerk, bij het huidige mortuarium. In de koker was een oorkonde ingesloten met de namen van pastoor Hegge en de kerkmees-ters: J. Bosma, H. v.d. Vecht, W. VernooyenJ. v. Wijk. Vlak voordat Van Echtelt de koker dicht soldeerde heeft hij er stiekem nog een briefje met zijn eigen naam bij ingestopt: "dan weten de mensen later precies wie er "allemaal" bij zijn geweest", zei hij ondeugend. De oorlogshandelingen van mei 1940 legden de bouw tijdelijk stil, maar spoedig daarna kon het werk worden voortgezet. Wel
stegen de kosten van bouwmaterialen, die vanwege de oorlog ook moeilijker te krijgen waren. Omdat wegens de oorlogshande-lingen zandvervoer per auto niet meer mogelijk was en om de kosten van de bouw niet te laten oplopen deed pastoor Hegge op 1 juli 1940 in café Rossenberg een beroep op allen, die paard en wagen hadden, mee te willen werken aan de aanvoer van zand voor de ophoging van de vloer van de kerk en het buitenterrein. Door de spontane medewerking was het karwei in enkele dagen geklaard. De rijtijden waren zelfs geregeld: van 's morgens acht uur tot 's avonds zes uur, met een uur pauze van twaalf tot één. Op 9 oktober 1940 werden de kerk en altaar geconsacreerd door Mgr Dr J. de Jong.Na de consecratie droeg deken W. de Grijs uit Ijsselstein de eerste H. Mis in de nieuwe kerk op. De feestpredikatie werd gehouden door prof. dr B. Alfrink. Het koor zong de vierstemmi-ge Missa Brevis van Palestrina met orgel begeleiding van Hans Ponten.Om zes uur in de middag werd door pastoor Hegge het Allerhei-ligste uit de oude kerk overg.E3bracht naar de nieuwe. Bij aankomst stond een processie opgesteld van vijftig bruidjes en een verte-genwoordiging van alle organisaties. Zij begeleidden het H. Sacrament naar het nieuwe tabernakel. Op 10 oktober werd als eerste in de nieuwe kerk gedoopt Adriana Antonia Maria, dochter van Cornelis Josephus Peek en Johanna-Petronella Maria Vernooy. Het eerste bruidspaar dat erin trouwde, op 23 oktober, was Hermanus Schaap en Huberta Maria Francina van Kouwen. 
 Kunstwerken
Het altaar van zwart, licht geaderd marmer (blue beige) is ver-vaardigd door Jan Eloy Brom uit Utrecht, die later ook het mooie altaarkruis aanbracht, geschonken door een parochiaan.Het ruime interieur vroeg om verdere aankleding en verfraaiing. Voor pastoor Hegge een welkome kans zijn artistieke gevoelens volop uit te vieren. Nogal vrijmoedig deed hij hiervoor een beroep op meer bemiddelde parochianen, wat hem niet door ieder in dank werd afgenomen:"Sommigen zagen hem met schrik komen. In de parochiegids van 1965 kan hij toch met trots schrijven: "Het is opmerkenswaard, hoeveel van deze kunstwerken cadeaux zijn, die door een of meerdere parochianen zijn geschonken."Intussen ging de oorlog niet geheel zonder schade aan de kerk voorbij. Op 6 maart 1943 werden de drie bronzen klokken, die door de firma Petit en Fritsen uit Aerle Rixtel waren gegoten in 1940, door de Duitsers uit de toren gehaald.
Dankzij een gift van gravin de Leusse, geboren d'Alsace d'Henin, kon de pastoor al in 1940 aan Charles Eyck opdracht geven voor de muurschildering in de absis. Hij schilderde daarin de verheer-lijkte Christus op de berg Thabor. In de gewelven boven het priesterkoor bracht Eyck de vier Evangelisten aan. Ze dragen ieder een oorlogs- en vredestekst, die ik voor hem opzocht in de Bijbel.
Een parochiaan had intussen de tegelvloer op het priesterkoor en in de kerk geschonken.
Voor de processiegang ontwierp de glazenier Wim van Woerkom uit Nijmegen glas-in-Iood raampjes: rechts elf, met taferelen uit het leven van de patrones Barbara, links elf, die zes sacramenten in beeld brengen. Het zevende sacrament (of beter: het eerste), de doop, zou komen in de doopkapel. Daarin was de oude doopvont geplaatst. Hegge hoopte die nog eens te kunnen vervangen door een nieuwe: het bleef een onvervulde wens. Zo ook de ramen in de doopkapel. Hij had daarin glas-in-beton ramen willen laten aanbrengen door Gunhild Kristensen uit Oosterbeek
die de drie ramen in het priesterkoor volgens dat proce-dé had gemaakt met voorstellingen van het offer van Noach na de zondvloed, de voetwassing bij het Laatste Avondmaal en de drie jongelingen in de vuuroven.De kruiswegstaties, uitgevoerd in geglazuurd ceramiek, zijn van de kunstenaar J.A. van Rhijn. De beeldhouwer Wim van Hoorn maakte de beelden van Christus Koning en Antonius, die aan beide zijden van het priesterkoor zijn geplaatst. Van zijn hand is ook de ceramiek achter in de kerk met de voorstelling van de H. Gerardus te paard, die de duivel bedwingt.H. Hunfeld uit Bunnik ontwierp de wandkleden in de dagkapel en het mortuarium en het wandkruis in de dagkapel.In het zijportaal rechts bracht de glazenier Sturkenboom uit Utrecht een glas-in-Iood raampje aan met S. Christoffel en het Kind. Ambo De kunstsmid Henri de Groot uit Utrecht (later parochiaan van Bunnik) smeedde de beide ambo's op het priesterkoor, dat hij afsloot met een hek en communiebanken

In het grote rond raam van het rechter transept bracht Wim van Hoorn in glas-en-Iood een afbeelding aan van de H. Drieëenheid en de nederdaling van de H. Geest.Onder de toren werd een Mariakapel ingericht. Het altaar met de ikoon van Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand werd ver-vaardigd in het atelier van Jan Eloy Brom. Het. drieluik met /' Mariakapel "taferelen uit het leven van Maria. is gemaakt door Wim van Woerkom.

Mevrouw Hildegard Brom-Fischer ontwierp tapijten voor de Ma-riakapel en het priesterkoor. Ze werden met de hand geknoopt door dames uit de parochie. Mevrouw Brom vervaardigde ook het baarkleed, dat de kist dekte bij een uitvaart en zij kleedde de door Gerard Heman uit Rotterdam in hout gesneden beelden voor de kerststal aan: ieder jaar trekt deze bijzonder fraaie kerstgroep veel belangstelling. 

S. Barabara Maria Achter in de kerk staat een beeld van S. Barbara: een werk van de beeldhouwer Albert T ermote. Als patrones draagt zij een maquette van de kerk op haar handen.In het mortuarium zijn twee ramen, waarin lambert Simon uit Utrecht de zeven vreugden en zeven smarten van Maria uitbeeld-de.In de kerk staan twee houten beelden: één van Maria en één van Jozef. Ze zijn van de hand ..yan de beeldhouwer Stephanus Uiterwaal uit Utrecht.Het beeld van Maria met het Kind is na de oorlog versierd met twee zilveren kronen, vervaardigd uit sieraden, die door parochia-nen voor dit doel werden afgestaan.In 1946 werden bij het technisch bureau Jongerius in Amersfoort drie nieuwe klokken besteld: een geschenk van de parochie b.g.v. het zilveren priesterfeest van pastoor Hegge op 15 augus-tus 1946. De klokken dragen de namen: Barbara - Maria - Anna. Ze werden gegoten door de Gebr. van Bergen in Heiligerlee, in de tonen gis, fis en e. De maten zijn: 97 - 108 - 122 cm. De gewichten: 575 - 800 -1125 Kg. De kosten waren: f 11.250,-.Van het Ministerie van Financiën kreeg de parochie later f 3.437,50 terug als vergoeding voor de in 1943 weggehaalde klokken.

 Achter in de kerk, bij de zangzolder is een glas-in-Iood raam aangebracht, met een voorstelling van koning David. Hij bouwde een huis voor Jaweh. "De ijver voor uw huis heeft mij verteerd", zei David van zichzelf. Pastoor Hegge mocht het hem nazeggen en met hem al die parochianen, die met hun grotere en kleinere gaven dit mooie Godshuis met zijn kostbare kunstschatten tot stand hadden gebracht.Het is dan ook niet te verwonderen, dat deze kerk, om haar artistieke kwaliteiten werd uitgekozen door de KRO voor de eerste T.V.-uitzending van een Eucharistieviering in het aartsbisdom Utrecht. Vóór de uitzending op 11 november 1956 werd men verzocht het hoesten tot het uiterste minimum te beperken. Een telefonische reactie op de uitzending was: "Mooier nog dan de werkelijkheid." In 1974 werd het Parochiebestuur door de KRO ook benaderd met het voorstel aan de Barbarakerk het omroeppastoraat te verbinden met de regelmatige uitzending van de Eucharistievie-ring. In maart werd dit overleg echter afgekapt. Waarom blijven de bronnen schuldig. 

Een nieuw orgel 

Voor de grote ruimte van de nieuwe kerk was het orgel uit de oude kerk met z'n 12 registers te klein. Aan een nieuw orgel durfde men zelfs niet te denken. De oplossing kwam uit Utrecht. Daar werd de Dominicuskerk op de Mariaplaats afgebroken. 18  Ook daarin stond een orgel van Maarschalkerweerd, gebouwd in 1872, met 26 registers. De parochie Bunnik nam het over voor f 2.000,-. Inclusief transport en opbouw kostte het f 4.000,-.Gedurende 22 jaar heeft dit orgel zijn goede diensten bewezen. Het begon echter geleidelijk aan zoveel gebreken te vertonen, dat restauratie dringend nodig werd. Deze zou, met een gewenste uitbreiding met 2 à 3 registers f 40.000,- à f 50.000,- gaan kosten. Wikkend en wegend: restauratie van het oude of een nieuw orgel van rond de f 80.000,- werd tenslotte tot het laatste besloten.Niet alle parochianen stonden met warme sympathie achter dit besluit, althans niet achter de aanschaf van een orgel, dat zoveel geld moest gaan kosten.

In een speciale orgel brochure werd de parochianen door deken Hegge en orgeldeskundigen voorgerekend, dat, al was het bedrag hoog, de uitgave van f 40.000,- of meer voor restauratie in feite maar een halve maatregel zou zijn: het oude orgel zou geld blijven kosten.Na advies van orgeldeskundigen m.n. Louis Toebosch, organist-dirigent in Breda, werd besloten tot de aanschaf van een Flentrop-orgel. In mei 1962 gaf kard. Alfrink de machtiging. Het kontrakt met de orgelbouwer in Zaandam werd nog in dezelfde maand getekend. In september 1963 werd het orgel, met 28 registers, in gebruik genomen, ingespeeld door Louis Toebosch, die als adviseur was aangetrokken. Hij schreef in de orgel-brochure: "dat de kerk nu de beschikking heeft over een instrument, dat tot de beste kerkorgels van Nederland mag gerekend worden. Een gelukkig samengaan van degelijk ambachtsschap naast groot artistiek vermogen."Het oude orgel werd voor f 4.000,- verkocht aan de S. Lauren-tiuskerk in Bilthoven. 

Uit de notulen van het kerkbestuur 

Deze notulen zijn de enige bron voor een nadere beschrijving van de periode Hegge. Meer dan een droge opsomming van feiten bieden zij een inkijk in de werkplaats van de "kerkfabriek", zoals het kerkbestuur in het juridisch jargon van het kerkrecht wordt genoemd.We citeren zoveel mogelijk letterlijk, in chronologische volgorde: - juli 1940 stelt de pastoor voor dat de koster voortaan een toog zal dragen in de kerk. De kosten zullen hem voor de helft vergoed worden. Later besluit het kerkbestuur hem voor de eerste keer geheel te vergoeden: f 32,50 - 30 januari 1941: J. v.d. Kant wordt aangesteld tot geldophaler en ordebewaarder in de kerk tegen een jaarlijkse vergoeding van f 50,-- oktober 1941: het salaris van J. v. Leeuwen, dirigent van het koor, wordt verhoogd tot f 250,- per jaar. Van de organist J. Wijnen tot f 150,- per jaar.- november 1943: koster Jan van Mourik viert zijn zilveren huwe lijksfeest. Als cadeau krijgt hij een rooktafeltje: de wens van de familie. Kosten: f 75,-- december 1945: het loon van de kerkschoonmaaksters wordt verhoogd van f 2,50 tot f 3,50 per dag m.i.v. 1 januari 1956; m.i.v. 1 juli 1946 werd het f 5,-.- januari 1946: salaris van de koster wordt f 100,- per maand    in plaats van f 75,-.    - 15 augustus 1946: pastoor Hegge viert zijn zilveren priester-    feest met een Plechtige Hoogmis en Lof in de kerk en een    receptie en parochierevue in de veilinghal.- november 1946: de grafrechten worden verhoogd tot f 50,-    eerste klas, f 25,- tweede klas eR f 10,- derde klas.    - april 1947: de firma de Jong, die de oude kerk met opstallen en    terreinen van het Kerkbestuur had gekocht voor f 16.000,- wil    graag het oude kerkhof geheel ruimen. 

De stoffelijke resten worden naar het nieuwe kerk-hof overgebracht in een verzamel graf. De gedenksteen die men er op zou plaatsen is er nooit gekomen.Wel werd het oude kerkhofkruis overgeplaatst.
 Kruis op het kerkhof met graf van deken Heinen.
 
-  juli  1949: de koster krijgt een nieuwe toog.   
 -  1 januari 1950: de koster viert zijn zilveren ambtsjubileum. Hijontvangt f 300,- als feestgeschenk en het bestuur biedt hem een receptie aan.
- november 1951: de dirigent J. v. Leeuwen biedt zijn ontslag aan. 
-15 oktober 1952: koster van Mourik treedt af.  Als zijn  opvolger        wordt benoemd A. Gademan.
- december 1954: de heer J. Wijnen overlijdt na ruim 30 jaar   organist te zijn geweest.
- 15 april 1955: de zusters vieren dat ze 25 jaar in Bunnik zijn.

- januari 1956: Zr Feliciana, die vanaf het begin leidster van de    kleuterschool is geweest, vertrekt. Als afscheidscadeau krijgt    ze een missaal.
- 1 januari 1957: de heer J. v.d. Kant eindigt zijn werk als    begrafenisondernemer. De koster neemt die taak erbij.    
- 1 januari 1958: de heer WE. van Oostrom is 25 jaar als hoofd    aan de Barbaraschool verbonden. Hij krijgt een lamp als    cadeau.    - september 1959: de heer A. Nieuwenhuis bedankt als grafdel-    ver. Zijn werk
-  wordt overgenomen door S. v. Wiggen en    J. Kunneman.- februari 1961: het kerkbestuur start met de nieuwe bijdrage-aktie voor de kerk. De eerste opbrengst is f 40.000,-.

Pastoor Hegge had een zwakke gezondheid. Meerdere malen werd hij opgenomen in het ziekenhuis, waarna hij vaak een langere tijd rust moest houden.7 Februari 1964 ging hij met emeritaat. Hij vertrok naar de Lage Vuursche, waar hij rector werd van de zusters van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort.Hij overleed 28 augustus 1967 en werd op 1 september begraven op het R.K. Kerkhof te Bunnik. De uitvaart werd geleid door kardinaal Alfrink. 

Pastoor-deken Paulus Renier Geurts (1964-1974)

Kardinaal Alfrink kende als vriend van pastoor Hegge de parochie Bunnik van zeer nabij. Zij waren collega geweest op het seminarie "Rijsenburg". Met Kerstmis en Pasen logeerde prof. Alfrink graag in de pastorie, ook toen hij later professor in Nijmegen was geworden. Hij assisteerde bij de vieringen, preekte en hoorde mee biecht, toen nog door bijna iedereen, zeker met Kerstmis en Pasen, gesproken Tot opvolger van zijn goede vriend benoemde hij zijn secretaris Paul Geurts die om zijn verdiensten voor het bisdom de goede parochie Bunnik kreeg. Hij werd 7 februari 1964 geïnstalleerd door kardinaal Alfrink zelf, die hem al op 16 oktober 1964, op voordracht van de coliega-pastoors benoemde tot deken van het dekenaat Zeist.

Geurts, klein van gestalte, was een man met een groot verstand én een groot hart: een kostbare combinatie in pastores.Bijna 15 jaar had hij een kantoorbaan gehad als secretaris van kardinaal de Jong en kardinaal Alfrink. Voor zijn gevoel miste hij daardoor een stuk praktijkervaring, al was hij jaren lang rector geweest van het ziekenhuis Joannes de Deo in Utrecht.Met de hem eigen bescheidenheid was hij bang, dat hij niet zou beantwoorden aan de verwachtingen van een parochie, waarin intussen ook veel academici zich hadden gevestigd.Hij hield zich graag aan de wijze stelregel, die praeses Hartman van het groot-seminarie aan de studenten meegaf: "Verander het eerste jaar niets in uw parochie."

 

Odijk

Er kwam echter snel een grote verandering in de parochie. In een brief van 27 augustus 1964 richtte de bisschop de parochie Odijk op met de titel van de H. Nicolaas. De kerk werd op 5 september d.a.v. geconsacreerd. Voor Odijk was dit het trotse sluitstuk van ruim 25 jaar inspanning en strijd. Niet zonder verbetenheid was die soms geleverd. Pastoor Hegge had er aanvankelijk veel moeite mee, dat een deel van zijn parochie zich wilde afscheiden. Maar de kracht van een kleine hechte gemeenschap zette dit door. Er was geen rekening gehouden door het grotere Bunnik met het kleinere Odijk en dat nam het niet. letterlijk en figuurlijk werd de afstand tussen beiden groter.Het bezwaar, dat de parochianen van Odijk voortaan altijd de spoorlijn zouden moeten passeren kon Heg_e gemakkelijk ontze-nuwen met het argument, dat die van Bunnik en Odijk dat al ruim twee eeuwen lang hadden moeten doen. Maar in de hitte van de strijd drong de redelijkheid hiervan niet door. Odijk zwichtte niet, zette door en won. Na 400 jaar hadden de katholieken van Odijk weer een eigen kerk.Dankbaar aanvaardden zij de bruidsschat die de moederkerk meegaf, maar gedroegen zich daarna zeer zelfstandig als een dochter, die al te lang had moeten vechten voor haar eigen bestaan in een eigen huis. Het werd een liefde op afstand.Zij nam snel in omvang toe, dankzij de uitbreiding van het dorp en maakt het uitstekend, zeggen degenen, die vanuit Bunnik haar nog wel eens bezoeken in een weekend.

Reeds onder pastoor Hegge waren meerdere noodoplossingen getroffen voor een ruimte waar jongeren en ouderen bij elkaar konden komen voor vergaderingen en andere bijeenkomsten. Na de oorlog kwamen de oude, in de bezetting opgeheven organisa-ties weer tot leven en werden er nieuwe opgericht.

In de parochie waren:
sociale organisaties:de R.K. Werkliedenvereniging met ongeveer 100 leden
de R.K. Bouwvakarbeidersbond met ongeveer 30 leden
de R.K. landarbeidersbond met ongeveer 30 leden

de R.K. Metaalbewerkersbond met ongeveer 30leden
de AB.T.B. (agrariërs) met ongeveer 60leden jeugdorganisaties:Katholieke Aktie voor meisjesvan 17-25 jaar met ongeveer 90 leden

Trekvogels voor meisjes
van 17-25 jaar met ongeveer 50leden

Jongerengemeenschap voor jongens
van 17-25 jaar met ongeveer 100 leden

 

met als afdelingen: R.K. Jonge Boerenbond
                           R.K. Jonge Arbeiders
                           R.K. Jonge Middenstand

                           Toneelvereniging WIK
                           (Willen Is Kunnen)
                           met 35 leden

                           R.K. Verkennersbeweging i.o.
                           voor jongens van 14-17 jaar

De behoefte aan een parochiecentrum met goede voorzieningen en sfeer werd steeds sterker gevoeld.De eerste gedachten gingen uit naar een ruimte onder de kerk, "maar bij de bouw hiervan had niemand daaraan gedacht, het had makkelijk gekund. Fout", zei pastoor Hegge er later zelf van. De keuze viel op het aardappelveldje tussen het nieuwe kerkhof en het gebouw van het Wit Gele Kruis. De architect Dionysius maakte het ontwerp en in oktober 1964 begon de firma van der Tol met de bouw. Met veel schenkingen in geld en natura én met veel gratis verrichte arbeid kwam het tot stand. In de hal hangt nog een gecalligrafeerde lijst van alle vrije-tijd-medewerkers.Het geheel kostte f 114.025,83, exclusief schenkingen en vrije-tijd-bouw.Het werd geopend op 5 maart 1966. De Bunniker In oktober 1965 verscheen de eerste Bunniker. "De pastorie krijgt er een klein preekstoeltje bij" schreef pastoor Geurts in een "ten geleide" bij het eerste nummer. Hij klom er graag op, want preken vond hij belangrijk. gelovigen moeten weten wat ze geloven, vond hij. Zelf las hij veel en hield vooral de nieuwe theologie bij.

25 jaar Barbara 
Op zondag 10 oktober 1965 werd dit feest gevierd. Naast de oud-kapelaans A. Goossens, dr W. van der Pol, L. v. Jaarsveld, J. de Graaf, E. Vermeulen en J. Stapel broek waren genodigd de priesters, die in de nieuwe Barbara hun Eerste H. Mis hadden gevierd:
A. Kuijer, C. Maas, A. van Wiggen, S. v. Wiggen en J. Gademan, die de feestpredikatie hield.
Dit feest werd het startpunt van een Jeugdraad om "de belangen van de katholieke jeugd te dienen."
Na vaticanum IIOp 8 december 1965 sloot paus Paulus VI in de S. Pieter het Tweede Vaticaans Concilie. Het ging er nu om de gedachten en besluiten hiervan in de parochies tot uitvoering te brengen.Voortaan zou de Eucharistie gevierd mogen worden in de volks-taal, rond een altaar, waaraan de priester met het gezicht naar het volk zou staan. Met de volkstaal had pastoor Geurts geen moeite: hij sprak graag de taal van het volk. Wel met de aanpassing van het altaar.Wanneer de priester achter het bestaande altaar zou gaan staan betekende dit, dat het tabernakel zou moeten worden weggeno-men en ook het grote altaarkruis. Bovendien zou de priester op die plaats voor een groot gedeelte van de gelovigen in de transepten onzichtbaar worden. Verplaatsing van het altaar naar voren zou een ernstige verstoring betekenen van de uitgewogen verhouding tussen priesterkoor en de plaats van het altaar daarin.Bovendien zou deze verplaatsing zeker een f 20.000,- gaan kosten. En die had het kerkbestuur niet op dat ogenblik: de gift aan Odijk, de afbetaling van het orgel en de bouw van het Trefcentrum drukten zwaar op de kerkekas.Geurts liet de hele situatie intact, zeker ook uit respect voor wat de bouwheer van de kerk tot stand had gebracht. Hij koos voor een voorzetaltaar. De kunstenaar H. Hunfeld te Bunnik maakte een ontwerp, dat in vorm en kleur harmonieerde met het bestaande geheel. Later werd dit vervangen door het fraaie altaar dat de kunstsmid Henri de Groot vervaardigde en dat nu nog in de dagkapel wordt gebruikt.

Samen-kerk

Belangrijker dan de uiterlijke veranderingen en aanpassingen van het kerk-gebouw vond Geurts de innerlijke vernieuwing van de Kerk.In de aula van Vaticanum 11 had zich een nieuw kerkbeeld ontwikkeld. Niet meer het eeuwenlang geldende beeld van de Kerk als piramide: boven aan de top de Paus, daaronder de bisschoppen, daaronder de priesters en helemaal onderaan de beminde gelovigen, maar de Kerk als gemeenschap, "Gods volk onderweg" (Mgr. W. Bekkers). Gelovigen niet meer als object van zielzorg alleen, maar ook subject daarvan. Alfrink zei: "Elke volwassen christen heeft echte verantwoordelijkheid voor de vitaliteit van de plaatselijke gemeente."Om zich te bezinnen op geloof en kerk vormden zich gespreks-groepen van priesters en gelovigen, ook jongeren. Geurts was hier een overtuigd promotor van.De Kerk raakte in beweging. In de spanning, verwarring en onzekerheid kregen de priesters steeds meer behoefte aan mensen om zich heen, met wie zij hun pastorale zorg konden delen. Het kerkbestuur zorgde wel voor de materiële en financiële zaken maar de pastorale zorg werd door de priesters gedragen. Zij alleen werden deskundig geacht op dat terrein. Maar Alfrink zei: "De leek behoeft niet per se leek te zijn in kerkelijke zaken en de priester kan theoretisch meer leek zijn dan de leek."Met de hem eigen voorzichtigheid ging Geurts nog niet direct, zoals op veel plaatsen elders, over tot de oprichting van een parochieraad. Een opiniepeiling onder de parochianen: hoe denkt u over een parQchieraad? leverde een negatieve uitslag: van de 750 verzonden enquêteformulieren kwamen er 123 terug, waarvan 110 positief stonden tegenover een op te richten raad. Van de 32 gespreksgroepen meenden de meesten, dat via deze groepen en de besturen van de bestaande organisaties voldoen-de overleg mogelijk was.Er bleek veel misverstand te bestaan over de taak en plaats van een parochieraad: gaat die zeggen wat anderen moeten doen? Men hoorde er in zeggen: ik laat me door die en die niets zeggen. De pastoor schreef in de Bunniker: als het waar is dat priester en leek gelijke verantwoordelijkheid dragen voor de pastoraal en het goed functioneren van het Kerk-zijn, dan moet hieraan ook vorm en gestalte gegeven worden. De priester beperkt zich tot de verkondiging van het Evangelie, de Zielzorg, de toediening van de Sacramenten; de parochieraad gaat alle overige taken behar-tigen.Er vormde zich een werkgroep, die een plan ging uitwerken en aan de goedkeuring van de parochie voorleggen. In 25 kringge-sprekken werd dit plan besproken. In het algemeen reageerde men positief, zodat men besloot tot oprichting van een parochie-raad. Op 9 november hield hij zijn eerste vergadering.De agenda van de pastoor werd nu ook de agenda van de parochieraad. Gedeelde zorg werd nu ook halve zorg, al sprak ook de parochieraad niet altijd het verlossende antwoord op alle kwellende vragen.In oktober 1966 was intussen de Nieuwe Katechismus versche-nen: geen schoolboek maar een handleiding voor de volwasse-nen christen bij zijn geloofsbeleving.Er vormden zich 31 gespreksgroepen, elk van ongeveer 12leden. Men kwam bij een van hen aan huis samen om zich op de inhoud ervan te bezinnen. Om het grote belang ervan maakten de pastoor en kapelaan H. Hunink zich drie avonden in de week hiervoor vrij.

Nieuwe liturgie

Geleidelijk aan groeide de vertrouwdheid met de nieuwe liturgie. Het kunnen meebidden in de eigen taal versterkte de band tussen priester en gelovigen. Het meezingen van nieuwe nederlandse kerkliederen uit de ingevoerde parochiebundel zette maar aarze-lend in.Niet iedereen was blij met de veranderingen. Voor meerderen betekenden deze verwarring. Sommigen bleven vragen om ook de latijnse zang te handhaven. Anderen vroegen om aangepaste diensten voor kinderen en jongeren. Om aan de verschillende wensen tegemoet te komen groeiden er meerdere vormen van liturgie.Op 1 oktober 1966 werd de zaterdagavond-mis ingevoerd, waaraan gemiddeld 400 parochianen deelnamen. Omdat de vroegmis daardoor nog stiller werd kwam die met ingang van 6 november 1966 voorlopig tot Pinksteren 1967 te vervallen. Ook daarna is die niet meer terug gekomen.
Het aantal kerkbezoekers begon in die tijd al terug te lopen. Op vijf opeen volgende weekends in september - oktober 1966 werd een kerktelling gehouden. Het resultaat was: 1743 - 2009 - 2029 - 2047 - 2110.
In het zondagavond lof kwamen in de weekends: 140 - 153 - 167 - 150 - 224 parochianen.
Het totaal aantal parochianen bedroeg eind 1966: 3176.Bij de een werd de band met de Kerk zwakker, bij de andere sterker. Steeds meer parochianen gingen een actieve rol spelen in de liturgie: als lector en lectrice, als cantores, die de gemeen-tezang ondersteunden, als mede-uitreiker van de H. Communie. Er kwamen Eucharistievieringen buiten de kerk o.a. in het Tref-centrum en de Beesde; vieringen met kinderen, met name de Eerste Communieviering kregen een speelse opzet; kinderen kregen een actief aandeel in Gezinsvieringen, "spelend voor Gods aangezicht" Jongeren zongen met élan hun geloof uit, met eigen koor en combo en zelf gemaakte teksten, in eigen vieringen en volle kerken.   .Waar zovelen aan de Liturgie meewerkten was onderling contact en beraad nodig.Dit leidde tot een werkgroep liturgie, waarin vertegenwoordigers van alle medewerk(st)ers in de liturgie hun gedachten uitwissel-den en hun activiteiten op elkaar afstemden. Een tweede kerk? Op kerkenbouwzondag 1965 was op de preekstoel gesproken over een tweede parochiekerk in Bunnik. Uit onderzoek van KASKI (KAtholiek Sociaal Kerkelijk Instituut in Den Haag) bleek dat hiermede rekening moest worden gehouden binnen een termijn van 10 jaar. In het uitbreidingsplan "De Kromme Rijn" was door de gemeente plaats vrij gehouden voor een tweede kerk. De weduwe Peek had de grond daarvoor om niet ter beschikking gesteld. Er werd gestart met een bouwfonds.De situatie in kerkelijk nederland wijzigde zich echter zo drastisch en zo snel in negatieve richting dat de bouw van een tweede kerk in het Kromme Rijngebied weer werd afgevoerd.
Bejaardenhuis Begin 1961 had deken Hegge al de heer Mr L. Andriessen benaderd met het verzoek initiatief te nemen om tot een bestuur van een stichting te komen, die een nieuw bejaardenhuis in plaats van de S. Jozefstichting zou realiseren. Deze voldeed niet meeraan de eisen van bejaardenhuisvesting, die daaraan in de zesti-ger jaren werden gesteld: het huis was oud, met slechte accom-modatie, brandgevaarlijk, te klein.Grote bedragen daarin nog investeren was niet verantwoord.De S. Jozefstichting stond op grond van het kerkbestuur, dat ook het beheer erover voerde. In het kader van de nieuwe ontwikke-lingen in de kerk achtte het kerkbestuur het juister het beheer van een nieuw te bouwen verzorgingshuis over te dragen aan een stichting die los(ser) zou staan van het kerkbestuur.
 Met de heren J. Jansen en Smit vormde Andriessen het bestuur. Dit ondernam meerdere plannen om tot nieuwbouw te komen, maar deze strandden steeds op bezwaren van stedebouwkundi-ge en planologische instanties van Gemeente en Provincie.Intussen werd ook in protestants-christelijke kring de behoefte gevoeld aan een voorziening voor bejaarden. Dit leidde tot contacten met de diakonieën van de Hervormden en Gerefor-meerden om te bezien of gezamenlijk de bouw van een groter bejaardenhuis kon worden ondernomen.De bestaande katholieke Stichting Bejaardenzorg werd omge-bouwd tot een algemene Stichting Bejaardenzorg Bunnik, waarin niet alleen de Kerken bestuursleden konden voordragen maar ook de buitenkerkelijken.Het bestuur vormde een bouwcommissie, die alles voorbereidde. Op de koude 7 februari-morgen 1972 werd de eerste paal geslagen en in 250 werkdagen werd de bouw tot stand gebracht volgens het ontwerp van architect Dionysius.In 1973 werd het in gebruik genomen onder de naam: Bunnichem. Op 16 april 1973 trad als eerste directrice mevrouw Caron in dienst. In 1977 werd zij opgevolgd door mevrouw Putman en die in juni 1982 door de heer A.J. de Jong.Als eerste bewoonster van het huis kwam op 21 juni 1973 mevrouw Nieuwenhuizen binnen.Begin 1988 werd de Alfrinkschool afgebroken om plaats te maken voor aanleunwoningen, die op 23 december 1988 werden opge-leverd.Op 28 augustus startte de bouw van de "Regenboog", die op 18 mei 1989 officieel werd geopend. 
Zusters weg
Maar nog voor een nieuw bejaardenhuis gerealiseerd was vertrokken op 1 oktober 1970 de laatste twee zusters uit Bunnik. In Nederland was het aantal religieuze roepingen drastisch terug gelopen. Er was veel vergrijzing maar geen verjonging. Oudere krachten konden niet meer door jongere vervangen worden. De zusters konden de verzorging met de laatste twee krachten niet meer aan. Met het oog op de nieuwbouw waren de laatste jaren ook al geen nieuwe pensiongasten aangenomen. De zusters hadden gehoopt in Bunnik te kunnen blijven tot het nieuwe huis er was en dat was ook de afspraak. Maar de situatie van de huisvesting van de bejaarden met de gebrekkige voorzieningen van licht en warmte was zo slecht geworden, dat het voor de bejaarden niet meer verantwoord was en voor de zusters een te zware belasting werd.
 Het oude gebouw was al enkele jaren afgekeurd en het nieuwe liet op zich wachten door een bouwstop op bejaardencentra. Voor de bejaarde bewoners was elders een huisvesting gezocht. Zo eindigde op 1 oktober 1970 het werk van de zusters in Bunnik.Na een Hoogmis uit dankbaarheid en een receptie namen zij na 40 jaar afscheid.Op 29 november 1970, waren er 38 zusters, die in Bunnik hadden gewerkt, nog eenmaal bijeen in het Trefcentrum. Einde
 
Het januari-nummer 1974 van de Bunniker kondigde twee nieuwe voorstellen van pastoor Geurts aan: kennismaking met nieuwe parochianen op de pastorie en huisbezoek per groep aan huis bij een van hen.Maar vóór het verschijnen van dat nummer was pastoor Geurts al overleden. In de 10 jaar dat hij in Bunnik was, ging zijn gezondheid ernstig achteruit, waarom hij in januari 1972 al ontslag had gevraagd als deken. Na de preek in de Hoogmis wachtte hij in de sacristie om de H. Communie te gaan uitreiken. Toen hij niet kwam en de koster hem wilde roepen was hij daar al overleden: nieuwjaarsdag 1974. Hij werd 5 januari begraven. Ook zijn uitvaart werd geleid door kardinaal Alfrink.

Zijn laatste eigen gedachte

Dank voor alle vriendschap en hartelijkheid.
Heel veel mensen zijn heel mijn leven lang goed
voor mij geweest.

Voor gebrek aan medeleven, hartelijkheid en
belangstelling vraag ik excuus.

Mocht ik iemand onrecht of pijn hebben gedaan,
hij moge het mij vergeven.

De heer moge mij genadig zijn.

Ik hoop op barmhartigheid.

Ik geloof in eeuwig leven, in de levende Heer.
Ik ben in Gods hand.

Pastoor Gerardus Johannes van der Beek (1974-1986)

Er brak een pastoor-loos tijdperk aan. Wel fungeerde pastor Jas de Rooy voortreffelijk, terwijl prof. dr J. de Kok o.f.m. regelmatig assisteerde in de weekends.

Veel parochianen, die zich mee verantwoordelijk voelden voor de parochie, hebben zich in deze periode bijzonder ingezet, opdat alles zo goed mogelijk z'n voortgang zou vinden.

In september 1974 kwam pastoor G.J. van der Beek als opvolger van Geurts uit Lelystad, waar hij zeven jaar was geweest, naar Bunnik.

Al spoedig ontpopte hij zijn bijzondere kwaliteiten als organisator-manager. Onder Geurts waren toch al schoorvoetend plannen gegroeid om de kerk functioneel aan te passen aan de verander-de liturgische inzichten. In november 1973 was een Adviescom-missie Aanpassing Kerkgebouw benoemd. Door de dood van Geurts kwamen de activiteiten hiervan tijdelijk stil te liggen.

Het streven achter die aanpassing was de gelovigen zo dicht mogelijk te betrekken bij het liturgisch gebeuren: De afstand tussen priesterkoor en gelovigen was groot. Om deze te verklei-nen en het contact te versterken stelde architect Dresmé uit Driebergen meerdere oplossingen voor, die tenslotte resulteer-den in het volgende plan:

 

- de banken zover mogelijk naar voren plaatsen- de communiebanken, die niet meer gebruikt werden, wegnemen en zo ruimte vrij maken voor banken.- achter in de kerk wordt een aantal banken weggehaald en voorin geplaatst.- In de vrij komende ruimte achter in de kerk kan de doopvont geplaatst worden en de doop bediend worden.
- de ambo's en hekken vormen een visuele barrière: door ze weg te nemen en te vervangen door treden wordt het priesterkoor
    meer open en toegankelijk.- de verhoging waarop het altaar staat wegnemen en het altaar naar voren plaatsen
- van de massieve altaartombe een tafelmodel maken
- in het rechter transept, dat als dagkerk fungeert, stoelen plaatsen; tevens het transept afsluiten met beweegbare wanden,
  waardoor het een besloten ruimte wordt voor kleinere groepen die ook afzonderlijk verwarmd kan worden.
- onder de toren een mortuarium inrichten en de ruimte daartoe afsluiten- de doopkapel wordt ingericht als Maria -kapel en afgesloten met hekwerk van het priesterkoor- de communiebankèn worden als balustrade van de koorzolder aangebracht.- één ambo komt op het priesterkoor en blijft in gebruik als lezenaar: de ander krijgt een plaats voor het Mariabeeld.- het tabernakel wordt op het altaar in het linkertransept geplaatst- het altaarkruis wordt opgehangen boven het priesterkoor.

Het Bestuur was zich bewust dat men de architectonische waar-de van het gebouw zoveel mogelijk moest respecteren. Ook de gevoelens van de parochianen, die moeite hadden met deze veranderingen. Men trachtte hen zoveel mogelijk te informeren over het waarom en hoe ervan. Via discussieavonden, de Bunni-ker, een tentoonstelling en opiniepeiling werden zij erbij betrok-ken. De kosten van de verbouwing werden begroot op /150.000-, waar van een parochiaan / 70.000,- als schenking voor zijn rekening nam. Het eindbedrag zou tenslotte / 161.829,60 worden.

Na alle hoor en wederhoor voelde het bestuur zich uiteindelijk verantwoord tot verbouwing te besluiten. Op advies van het Bouwbureau van het Aartsbisdom, dat bij de voorbereidingen betrokken was geweest, verleende de bisschop de gevraagde machtiging.In het weekend van 13-14 december 1975 werd het nieuwe interieur met een speciale aangepaste Dienst in gebruik geno-men.

Liturgie

Er was een indrukwekkende rij werkgroepen intussen gegroeid, die allen actief aan die nieuwe liturgie meewerkten:- een herenkoor, met de langste zangtraditie o.l.v. Rob Goorhuis, die 1 september 1970 tot organist was benoemd- een dameskoor, dat op 13 oktober 1974 tien jaar bestond- een kinderkoor, met een bestuur van moeders- een werkgroep Gezinsvieringen, m.m.v. de basisscholen- een werkgroep Jongerenmis/Jongerenkoor met eigen reper-toire aan liederen en zelf gekozen teksten, met slagwerk en  guitaar.- instrumentale medewerking van een aantal parochianen- het collectantencollege- een groep van 35 misdienaars en misdienettes en acolythen - een koster en assistenten- lectores, die de eerste lezing, voorbeden en mededelingen verzorgden- parochianen, die meehielpen bij het uitreiken van de H. Communie- leidsters van de kindercrêche- leidsters van de kindernevendienst- groep dames (en één heer) die de kerk schoonmaakten- een liturgisch beraad van alle medewerkenden in de liturgie om de vele activiteiten op elkaar af te stemmen.
  Er wordt een liturgie-rooster opgesteld van de verschillen de vieringen met vermelding van het type viering,
  zodat de parochianen een keuze kunnen maken
- typisten van alle stencilwerk voor speciale Diensten- bejaarden, die het vele drukwerk vouwden en nietten- een groep dames, die eigenhandig een aantal liturgische  gewaden voor priester en acolythen vervaardigden- en last but not least: alle parochianen, die ter kerke kwamen, meebaden en meezongen
  en via hun bijdrage aan de kerk alle werk financieel mogelijk maakten.

Kerk, wij samen

Er was nog meer te doen dan Liturgie. Ook andere aandachtsvelden bleven aanhoudende zorg vragen.
Het werkveld van de parochie was over zes secties verdeeld:

1. liturgie                                                                   

2. vormgeving en oecumene

3. dienstverlening

4. kerk en samenleving

5. communicatie                                                     

6. financiën en beheer
 Gelovigen werden zich steeds sterker bewust, dat zij in de Kerk niet alleen maar pastorale zorg ontvangen van priesters maar met hen ook zelf die moeten dragen voor elkaar. Zo groeide na Vaticanum II de kerk steeds meer van een priesterkerk naar een lekenkerk. Niet omdat er steeds minder priesters kwamen maar uit het besef, dat de gelovigen zelf de Kerk zijn.Om aan dat "Kerk, wij samen" gestalte te geven publiceerden de bisschoppen van Nederland in 1979 een nieuw "Algemeen Reglement voor het bestuur van een parochie van de R.K. Kerk in Nederland."Een nieuwe parochiestruGtuurwerd ingevoerd: een Parochiebes-tuur in plaats van een Kerkbestuur en een Parochievergadering in plaats van een Parochieraad.De parochianen konden voortaan zelf de parochievergadering kiezen en deze weer op haar beurt het Parochiebestuur, dat het algemeen pastoraal beleid voorbereidde en, na vaststelling hier-van door de parochievergadering, uitvoerde.In een vergadering van parochianen op 8 mei 1980 werd besloten een werkgroep samen te stellen, die de uitvoering van de nieuwe structuur voor Bunnik zou voorbereiden.In de Bunniker van oktober 1980 bracht de werkgroep deze "in beeld" onder het motto: "draai mee, in de P.V.". Bij de samenstelling werd uitgegaan van de bestaande secties. Uit iedere sectie zouden er drie leden in de parochievergadering komen.Na een kandidaatsstelling ook door de parochianen vond de eerste verkiezing plaats in het weekend van 20/21 december 1980. Er waren 37 kandidaten. Het stembiljet werd ingevuld door 415 parochianen. De 18 gekozenen werden 1 februari 1981 officieel door de bisschop tot lid van de Parochievergadering benoemd. Op 5 februari hield zij haar eerste bijeenkomst. Op 9 april koos zij een Parochiebestuur. Van beiden werd de pastoor voorzitter.Om nog sterker te benadrukken, dat de gelovigen zelf de Kerk zijn, trad hij op 1 juni 1982 terug als voorzitter om plaats te maken voor een parochiaan als voorzitter. Als eerste trad aan Huub van der Maat. De pastoor bleef als begeleidend pastor lid van beiden.

Kerk - in - actie

 

Pastor en parochianen waren ook buiten de Liturgie zeer actief. De Bunniker geeft een levendig beeld van de parochie-in-actie:
- de ouders van de Eerste Communiecantjes werden via de methode van de "Tien Stappen" en speciale katechesavonden over de Eucharistie    nauw betrokken bij de voorbereiding en nazorg. Zij kregen een instructieboekje, waarmee thuis gewerkt kon worden.

1975- in januari kwam als eerste.stagiaire de theologant Ben Piepers in Bunnik. Er zouden er nog meer volgen. Pastores-in-spe konden het hier Ieren- met ingang van 1 januari vond een fusie plaats tussen het Groene- en Wit-Gele Kruis, dat in 1974 haar 50-jarig bestaan had gevierd- in mei werd in Bunnik een afdeling van "de Zonnebloem"    opgericht. 1976- ook met de jongeren werd contact gelegd. In de periode 1976/1977 werd de jeugd tussen 12 en 16 jaar uitgenodigd  op instuifavonden, waar er gemiddeld 35 kwamen- helaas ging in 1976 het jongerenkoor ter ziele- een belangrijk aandachtspunt was de katechese voor volwas-senen. In 1976 volgden 66 parochianen op 8 aaneengesloten
  dinsdagavonden   een cursus
 1977- 1 oktober vertrok zuster Antona, die zeven jaar de zorg voor de pastorie had gedragen als een hartelijke gastvrouw.
   Haar taak werd overgenomen door zr Assumpta Revenberg
- 15 oktober vierde koster A. Gademan zijn zilveren jubileum en kreeg de pauselijke onderscheiding "Pro Ecclesia et Pontifice."- in dit jaar werd voor het eerst aan 20 oudere parochianen tegelijk de Ziekenzalving gegeven. 1980- 20 januari was de première van een nieuw jongerenkoor- in november werd een Liturgische Week gehouden: met stands, gespreksgroepen over de beleving van de liturgie
  en met aan-melding van nieuwe leden bij verschillende groepen, die mee-werkten aan de liturgie.
 1981- 30 januari vertrok pastor Jos de Rooy na tien jaar in Bunnik te zijn geweest- op 5 februari overleed op de leeftijd van 76 jaar, mevrouw Jo de Jong, die van 1964 -1971 de huishouding
  van pastoor Geurts had verzorgd.
- 15 maart vierde pater Jan de Kok o.f.m. in de parochie zijn zilveren priesterfeest
- 1 april verscheen de eerste MINI-Bunniker
- 22 juni vierde de parochie het zilveren priesterfeest van pastoor  van der Beek, gewijd op 22 juni 1956 .
- in december kwam er een ringleiding voor slecht-horenden in de kerk.
1982

- 15 januari werd pater de Kok benoemd tot hulpbisschop van Kardinaal Willebrands. Op 14 maart    droeg hij zijn eerste Pontificale H. Mis op in Bunnik

-  in november werd de kerkradio aangelegd: thuiszittende paro-chianen konden nu de vierin-gen in    de    eigen kerk volgen

- 11 november werden alle docu menten, die betrekking hadden op de parochie van 1853 - 1980    ondergebracht in het Rijksar-chief te Utrecht.

  Alle stukken van vóór 1853 waren daar al.Het jaar 1980 werd gekozen omdat toen de nieuwe parochie-structuur was ingevoerd. 
1983- in dit jaar ging een werkgroep "Diensten met eigen parochia-nen" zich voorbereiden op vieringen, waarin geen priester kon voorgaan.
  Daarna werden deze Diensten één maal in de twee maanden gehouden
- in november werd een begin gemaakt met het tellen van de kerkgangers. Na een jaar werd een overzicht gepubliceerd:
  rond de 800 parochianen namen deel aan de viering van de Eucharistie, overeenkomend met een kwart van alle potentiële kerkgangers   (totaal 3500 in 1984).
  In het eerste vakantieweek-end daalde het aantal onder de 600. In het jaar 1985 nam het aantal bezoekers nog meer af
  met circa 7% naar een gemiddel-de van 742 personen (totaal aantal parochianen bedroeg in 1985 ongeveer 3490)
- naar aanleiding van de benoeming in december 1983 van Mgr. Or. A. Simonis, bisschop van Rotterdam tot aartsbisschop van Utrecht,   verklaarden meerdere parochianen, dat zij niet langer wilden leven en werren in een Kerk, die zich zo autoritair mani-festeert,
  zonder rekening te houden met de wensen van de plaatselijke Kerk.
 1984- na een opknapbeurt van het Trefcentrum werd dit op 23 september heropend; tevens werd afscheid genomen van
  de eerste beheerder A. Gademan en kennis gemaakt met de nieuwe beheerder, de familie Rutting.
 1985- begin 1985 kreeg iedere parochiaan de gelegenheid onder beide gedaanten te communiceren- in december stelde de Regionale Raad Krommerijnstreek aan alle parochies van de regio voor voortaan op de vooravond van een uitvaart geen Eucharistieviering meer te houden maar een Avondwake, geleid door parochianen.Er vormde zich een werkgroep, die deze Dienst ging voorbe-reiden en er ook in zou voorgaan. M.i.v. augustus 1986 werden deze Avondwaken gehouden 1986- 28 december overleed te Eindhoven zr Antona van Geffen, die in 1971 de zorg voor de parochiehuishouding op zich nam tot oktober 1977

Vertrek

Op 14 september 1986 vertrok pastoor van der Beek naar de Petrus en Pauluskerk te Soest. Met hem traden het Parochiebes-tuur en de Parochievergadering af. Directe aanleiding hiertoe was de uitspraak van een arbitragecommissie in het langlopend geschil van het parochiebestuur met de dirigenhorganist, dat het bestuur niet gerechtigd was de arbeidsovereenkomst met hem te ontbinden. Er werd een tijdelijk kerkbestuur benoemd, dat tussen het vertrek van pastoor van der Beek en de komst van zijn opvolger de lopende zaken zou behartigen. Dit interimbestuur werd gevormd door mevrouw Mr B. Twaalfhoven, mevrouw L. Andriessen en de heren Th. Harte, A. van Kempen en A. de Wit, terwijl pastor L. Koerhuis uit Wijk bij Duurstede als vicarius oeco-nomus optrad. Er kan nauwelijks van een pastor loos tijdperk gesproken worden, want niet minder dan acht priesters traden in deze periode aan om de weekenddiensten te verzorgen.Op 2 november 1986 trad intussen ook de heer A. Gademan af, na 35 jaar als koster zijn goede diensten verricht te hebben.

Tegelijk trad hij weer aan als begeleider van een inmiddels gevormde groep van vrijwillige kosters: mevrouw M. Rasing en de heren P. Beemer, H. van Dam, J. de Langen, A. Osterhaus en C. Veen brink